Herkomst en geschiedenis

Het bewijs hangt in het museum
Op het schilderij hierboven zit een edelman in zijden kleding, met aan zijn voeten twee kleine spaniëls. Zulke portretten zijn de reden dat dit ras bestaat zoals het nu bestaat: fokkers hebben er in de twintigste eeuw bewust naar teruggewerkt. Wie de kop van de honden op zulke doeken bekijkt, ziet een langere snuit dan de hondjes die in de negentiende eeuw in de mode waren.
Schoothonden aan het hof
In de zeventiende eeuw waren kleine spaniëls vaste gasten aan de Engelse hoven. Koning Karel II was er zo aan gehecht dat het ras zijn naam kreeg; er wordt beweerd dat hij de honden overal toeliet, tot in het parlement. Op schilderijen uit die tijd, onder meer van Van Dyck en Titiaan, staan spaniëls met een vrij lange snuit, een platte schedel en hoog aangezette oren.
De negentiende eeuw verandert de kop
In de negentiende eeuw kwam de mopshond in de mode en werd er gekruist. Het resultaat was een korter, boller hoofd met een opgewipte neus: het type dat wij nu als king charles spaniel kennen. Dat werd het rasbeeld, en de oude, langsnuitige spaniël van de schilderijen verdween vrijwel.
De prijsvraag van Eldridge
In 1926 loofde de Amerikaan Roswell Eldridge op de Britse hondententoonstelling Crufts een prijs uit voor de hond die het meest leek op de spaniëls van de oude schilderijen. Fokkers gingen zoeken naar dieren met een langere snuit en een plattere schedel, en uit die honden groeide een aparte lijn.
Een tweede ras
In 1928 werd de eerste rasvereniging voor die oude vorm opgericht en werd de rasstandaard opgesteld, met een schilderij als uitgangspunt. De naam kreeg er een woord bij: cavalier. In 1945 erkende de Engelse kennelclub de cavalier king charles spaniel als apart ras, naast de king charles spaniel die al bestond.
De opkomst in Nederland
Na de oorlog verspreidde de cavalier zich snel over Europa. In Nederland groeide hij uit tot een van de meest gehouden gezelschapsrassen, terwijl de king charles spaniel zeldzaam bleef; van dat laatste ras worden er jaarlijks maar enkele tientallen geboren. Beide rassen worden vertegenwoordigd door eigen verenigingen onder de Raad van Beheer.
Waarom de geschiedenis er nu toe doet
De cavalier is opgebouwd uit een kleine groep stamdieren. Dat verklaart waarom erfelijke aandoeningen zich zo breed door de populatie hebben kunnen verspreiden, en waarom fokkers en verenigingen inmiddels met verplichte onderzoeken werken. Wie de geschiedenis kent, begrijpt waarom gezondheid bij dit ras het eerste gespreksonderwerp hoort te zijn en niet het laatste.
Wat de smalle basis betekent
De cavalier is opgebouwd uit een handvol honden die in de jaren twintig en dertig aan het beeld van de oude schilderijen voldeden. Zo'n smalle basis maakt een ras kwetsbaar: aandoeningen die bij een van die stamdieren aanwezig waren, zitten daarna in een groot deel van de populatie. Bij dit ras is dat geen theorie maar de verklaring voor de hartklepaandoening die zo breed voorkomt. Fokkers proberen dat te keren met verplichte onderzoeken en met het bewust inzetten van lijnen die op oudere leeftijd nog vrij zijn.